Gemeenteraad 18 juni 2003 ontwerp raadsbeslissing

Bijzondere algemene gezinsbelasting 2003

De Raad,
In openbare zitting vergaderd;
Gelet op de begrotingsnoodwendigheden van de Gemeente;
Gelet op de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provinciale en gemeentebelastingen;
Gelet op de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen;
Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
Gelet op het koninklijk besluit van 12 april 1999 tot bepaling van de procedure voor de Gouverneur of voor het College van Burgemeester en Schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of gemeentebelasting;
Gelet op de gemeentewet;

Op voorstel van het College;

Beslist:

Artikel 1: Er wordt voor het dienstjaar 2003, ten behoeve van de gemeente, een algemene belasting geheven ten laste van ieder gezin welke op 1 januari 2003 minstens een jaar ingeschreven is in de bevolkingsregisters van de gemeente en er een woongelegenheid in gebruik heeft of er zich van voorbehoudt.

Artikel 2. Onder gezin wordt verstaan:

  1. een persoon die gewoonlijk alleen leeft
  2. twee of meer personen die, al dan niet door verwantschap aan elkaar verbonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er samenwonen.

Artikel 3. De belasting is solidair per gezin en wordt gevestigd ten laste van één van de gezinsleden. De belalsting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.

Artikel 4. De belasting is verschuldigd per woongelegenheid op het grondgebied ven de gemeente gelegen en door het gezin gebruikt als hoofdverblijf of tweede verblijf.

Artikel 5. De belasting is niet verschuldigd door de natuurlijke, de rechtspersoon en de feitelijke verenigingen die samen met hun gezin gehuisvest zijn in een woning of woongelegenheid waarin hij zijn vrij beroep of zelfstenige activiteit uitoefent.

Artikel 6. De belasting wordt als volgt vastgesteld: 100 € per gezin
Voor de alleenstaanden ouder dan 65 jaar wordt het bedrag van de AGB- gezinnen verminderd met 25 €.

Artikel 7. –De belasting wordt ingevorderd bij wijze van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.

Artikel 8. - De belasting moet betaald worden binnen 2 maanden na verzending van het aanslagbiljet. De ontvanger gaat na ontvangst van het kohier onverwijld over tot de verzending van het aanslagbiljet.

Artikel 9. – De belastingplichtige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd worden en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend.
Het bezwaar moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Van de afgifte van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

Artikel 10. – Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet van 24 december 1996, zijn de bepalingen van titel VII ( Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 7 tot 10 ( rechtsmiddelen, invordering van de belasting waaronder de nalatigheids en moratorium intresten; rechten en voorrechten van de schatkist; strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek ( betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen.

Artikel 11.- Deze beslissing wordt aan de heer Provinciegouverneur overgemaakt.