Algemene Gemeentebelasting 2002

RAADSBESLISSING ALGEMENE GEMEENTEBELASTING (13 februari 2002)

de Raad,

In openbare zitting vergaderd;
Gelet op de begrotingsnoodwendigheden van de Gemeente;
Gelet op de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provinciale en gemeentebelastingen;
Gelet op de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen;
Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
Gelet op het koninklijk besluit van 12 april 1999 tot bepaling van de procedure voor de Gouverneur of voor het College van Burgemeester en Schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of gemeentebelasting;
Gelet op de gemeentewet;
Op voorstel van het college;

Beslist:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Er wordt voor het dienstjaar 2001, ten behoeve van de gemeente, een algemene belasting (AGB) geheven om te voorzien in de uitgaven van de gemeente.

Artikel 2. De algemene gemeentebelasting (AGB) is ten laste van:

  1. ieder gezin dat op 1 januari van het belastingsjaar al dan niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters van de gemeente Meulebeke en er een woongelegenheid in gebruik heeft of zich ervan het recht voorbehoudt. (=AGB-gezinnen)
  2. de natuurlijke, rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die p 1 januari van het belastingsjaar op het grondgebied van de gemeente:
  3. -een vrij beroep of een zelfstandige activiteit uitoefenen
    -een handels-, een nijverheids-, landbouwbedrijf of een andere economische activiteit uitoefenen (=AGB-bedrijven)

Artikel 3. De AGB-gezinnen is niet verschuldigd door de natuurlijke, de rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die samen met hun gezin gehuisvest zijn in een woning of woongelegenheid waarin hij zijn vrij beroep of zelfstandige activiteit uitoefent.

Titel II. bepalingen eigen aan de AGB-gezinnen

Artikel 4. Onder gezin wordt verstaan:

  1. een persoon die gewoonlijk alleen leeft
  2. twee of meer personen die, al dan niet door verwantschap aan elkaar verbonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er samenwonen.

Artikel 5. De belasting is solidair per gezin en wordt gevestigd ten laste van één van de gezinsleden.

Artikel 6. De belasting is verschuldigd per woongelegenheid op het grondgebied ven de gemeente gelegen en door het gezin gebruikt als hoofdverblijf of tweede verblijf ook wanneer hij er een zelfstandig beroep in uitoefent.

Artikel 7. De belasting wordt geheven op basis van het kadastraal inkomen van het bebouwd onroerend goed, zoals bekend op 1 januari van het aanslagjaar.

Artikel 8. De belasting wordt als volgt vastgesteld:

Het in aanmerking te nemen kadastraal inkomen
in BEF in € bedrag (€)
0 - 40000 0- 991,57

100

40001 - 50000 991,58 - 1239,47

125

50001 - 75001 1239,48 - 1859,20

150

75001 - 100000 1859,21 - 2478,94

175

> 100000 > 2478,94

200

Voor de alleenstaanden ouder dan 75 jaar wordt het bedrag van de AGB- gezinnen verminderd met 1.000 BEF.

Artikel 9. – Indien inzake een woongelegenheid op 1 januari van het aanslagjaar geen kadastraal inkomen gekend is, wordt de belastingforfaitair vastgesteld op de belasting verschuldigd voor een woongelegenheid met een kadastraal inkomen van 0 tot en met 40.000.

Artikel 10. – Wanneer in een gebouw, en/ of een appartementsgebouw, meerdere gezinnen en/ of personen hun verblijf hebben, en voor dit gebouw slecht één globaal kadastraal inkomen gekend is, zal voor het bepalen van de belastingcategorie, het kadastraal inkomen verdeeld worden naar rato van de door de gezinnen gebruikte oppervlakte. Voor de oppervlakte van dit gebouw, dat niet door de gezinnen kan of mag aangewend worden, wordt dit gedeelte van het kadastraal inkomen aangerekend aan de eigenaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.

Artikel 11. – Voor de gezinnen die gehuisvest zijn in een woongelegenheid die deel uitmaakt van een handels, landbouw of industrieel complex wordt een belasting toegepast als vastgesteld bij artikel 14.

Titel III. – Bepalingen eigen aan de AGB- bedrijven

Artikel 12. – De belasting ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen bedoeld in artikel 2, b is verschuldigd per vestiging

Artikel 13.- De belasting word gegeven op basis van het kadastraal inkomen van het bebouwd onroerend goed, zoals gekend op1 januari van het aanslagjaar, waar de exploitatiezetel gevestigd is. Serres behoren tot cultuurgrond zoals vastgesteld in de definitie opgenomen in het decreet inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en worden als dusdanig niet beschouwd als bebouwd onroerend goed.

Artikel 14.-De belasting wordt als volgt vastgesteld:

Het in aanmerking te nemen KI belasting
min.(bef) max(bef) min(€) max(€)

0

40000

0,00

991,57

100

40001

50000

991,60

1239,47

186

50001

75000

1239,49

1859,20

273

75001

100000

1859,23

2478,94

397

100001

150000

2478,96

3718,40

521

150001

250000

3718,43

6197,34

645

250001

500000

6197,36

12394,68

768

500001

750000

12394,70

18592,01

892

750001

1000000

18592,04

24789,35

1016

1000001

24789,38

1.140

Artikel 15. -Indien inzake een onroerend goed, waarin activiteiten worden uitgeoefend zoals bepaald in artikel 2, b op 1 januari van het aanslagjaar geen kadastraal inkomen gekend is, wordt de belasting forfaitair vastgesteld op een belasting verschuldigd voor een gebouw met een kadastraal inkomen van 0 tot en met40.000.

Artikel 16.- Voor de natuurlijke en rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, b die een gedeelte van een onroerend goed gebruiken, terwijl voor het betrokken goed enkel een globaal kadastraal inkomen gekend is, wordt de belastingcategorie bepaald, zoals geschreven in artikel 10.

Artikel 17. – Voor de natuurlijke personen die activiteiten uitoefenen zoals vermeld onder artikel 2, b worden de kadastrale inkomens van het onroerend goed waarin zij met een gezin hoofdverblijf houden gevoegd bij het kadastrale inkomen van het onroerend goed waarin de activiteiten door dezelfde natuurlijke persoon allen worden uitgeoefend en op hetzelfde perceel grond gevestigd zijn, en wordt een belasting geheven zoals voorgesteld bij artikel 14.

Titel IV. _GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 18. – De telling en meting van de belastbare elementen worden uitgevoerd door de beambten van het gemeentebestuur.

Artikel 19. –De belasting wordt ingevorderd bij wijze van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.

Artikel 20. - De belasting moet betaald worden binnen 2 maanden na verzending van het aanslagbiljet. De ontvanger gaat na ontvangst van het kohier onverwijld over tot de verzending van het aanslagbiljet.

Artikel 21. – De belastingplichtige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd worden en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend.
Het bezwaar moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Van de afgifte van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

Artikel 22. – Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet van 24 december 1996, zijn de bepalingen van titel VII ( Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 7 tot 10 ( rechtsmiddelen, invordering van de belasting waaronder de nalatigheids en moratorium intresten; rechten en voorrechten van de schatkist; strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek ( betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen.

Artikel 23.- Deze beslissing wordt aan de heer Provinciegouverneur overgemaakt.