RAADSBESLISSING Deze belasting werd een eerste keer goedgekeurd door de CVP op de gemeenteraad van 14 maart 2001 en een tweede maal, met schrapping van artikel 18 en de ingediende bezwaren uit het openbaar onderzoek dat op 14.03.01 nog lopende was, negerend, goedgekeurd door de CVP op de gemeenteraad van 6 juni 2001)

Ook voor 2002 werd deze belasting goedgekeurd op de gemeenteraad van 13 februari 2002.
Ze werd ingetrokken voor 2002 op de gemeenteraad van 10 juli 2002.

ALGEMENE GEMEENTEBELASTING

de Raad,
In openbare zitting vergaderd;

Gelet op de begrotingsnoodwendigheden van de Gemeente;
Gelet op de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provinciale en gemeentebelastingen;
Gelet op de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen;
Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
Gelet op het koninklijk besluit van 12 april 1999 tot bepaling van de procedure voor de Gouverneur of voor het College van Burgemeester en Schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of gemeentebelasting;
Gelet op de gemeentewet;

Op voorstel van het college;

Beslist:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Er wordt voor het dienstjaar 2001, ten behoeve van de gemeente, een algemene belasting (AGB) geheven om te voorzien in de uitgaven van de gemeente.

Artikel 2. De algemene gemeentebelasting (AGB) is ten laste van:

  1. ieder gezin dat op 1 januari van het belastingsjaar al dan niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters van de gemeente Meulebeke en er een woongelegenheid in gebruik heeft of zich ervan het recht voorbehoudt. (=AGB-gezinnen)
  2. de natuurlijke, rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die p 1 januari van het belastingsjaar op het grondgebied van de gemeente:

-een vrij beroep of een zelfstandige activiteit uitoefenen
-een handels-, een nijverheids-, landbouwbedrijf of een andere economische activiteit uitoefenen (=AGB-bedrijven)

Artikel 3. De AGB-gezinnen is niet verschuldigd door de natuurlijke, de rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die samen met hun gezin gehuisvest zijn in een woning of woongelegenheid waarin hij zijn vrij beroep of zelfstandige activiteit uitoefent.

Titel II. bepalingen eigen aan de AGB-gezinnen

Artikel 4. Onder gezin wordt verstaan:

  1. een persoon die gewoonlijk alleen leeft
  2. twee of meer personen die, al dan niet door verwantschap aan elkaar verbonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er samenwonen.

Artikel 5. De belasting is solidair per gezin en wordt gevestigd ten laste van één van de gezinsleden.

Artikel 6. De belasting is verschuldigd per woongelegenheid op het grondgebied ven de gemeente gelegen en door het gezin gebruikt als hoofdverblijf of tweede verblijf ook wanneer hij er een zelfstandig beroep in uitoefent.

Artikel 7. De belasting wordt geheven op basis van het kadastraal inkomen van het bebouwd onroerend goed, zoals bekend op 1 januari van het aanslagjaar.

Artikel 8. De belasting wordt als volgt vastgesteld:

het in aanmerking te nemen KI bedrag
0 tot 40.000 4.000 BEF
40.001 tot en met 50.000 5.000 BEF
50.001 tot en met 75.000 6.000 BEF
75.001 tot en met 100.000 7.000 BEF
meer dan 100.000 8.000 BEF

Voor de alleenstaanden ouder dan 65 jaar wordt het bedrag van de AGB- gezinnen verminderd met 1.000 BEF.

Artikel 9. – Indien inzake een woongelegenheid op 1 januari van het aanslagjaar geen kadastraal inkomen gekend is, wordt de belastingforfaitair vastgesteld op de belasting verschuldigd voor een woongelegenheid met een kadastraal inkomen van 0 tot en met 40.000.

Artikel 10. – Wanneer in een gebouw, en/ of een appartementsgebouw, meerdere gezinnen en/ of personen hun verblijf hebben, en voor dit gebouw slecht één globaal kadastraal inkomen gekend is, zal voor het bepalen van de belastingcategorie, het kadastraal inkomen verdeeld worden naar rato van de door de gezinnen gebruikte oppervlakte. Voor de oppervlakte van dit gebouw, dat niet door de gezinnen kan of mag aangewend worden, wordt dit gedeelte van het kadastraal inkomen aangerekend aan de eigenaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.

Artikel 11. – Voor de gezinnen die gehuisvest zijn in een woongelegenheid die deel uitmaakt van een handels, landbouw of industrieel complex wordt een belasting toegepast als vastgesteld bij artikel 14.

Titel III. – Bepalingen eigen aan de AGB- bedrijven

Artikel 12. – De belasting ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen bedoeld in artikel 2, b is verschuldigd per vestiging

Artikel 13.- De belasting word gegeven op basis van het kadastraal inkomen van het bebouwd onroerend goed, zoals gekend op1 januari van het aanslagjaar, waar de exploitatiezetel gevestigd is. Serres behoren tot cultuurgrond zoals vastgesteld in de definitie opgenomen in het decreet inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en worden als dusdanig niet beschouwd als bebouwd onroerend goed.

Artikel 14.-De belasting wordt als volgt vastgesteld:

het in aanmerking te nemen KI bedrag
van 0 tot en met 40.000 4.000 BEF
van 40.001 tot en met 50.000 7.500 BEF
van 50.001 tot en met 75.000 11.000 BEF
van 75.001 tot en met 100.000 16.000 BEF
van 100.001 tot en met150.000 21.000 BEF
van150.001 tot en met 250.000 26.000 BEF
van 250.001 tot en met 500.000 31.000 BEF
van 500.001 tot en met 750.000 36.000 BEF
van 750.001 tot en met 1.000.000 41.000 BEF
meer dan 1.000.000 46.000 BEF

Artikel 15. -Indien inzake een onroerend goed, waarin activiteiten worden uitgeoefend zoals bepaald in artikel 2, b op 1 januari van het aanslagjaar geen kadastraal inkomen gekend is, wordt de belasting forfaitair vastgesteld op een belasting verschuldigd voor een gebouw met een kadastraal inkomen van 0 tot en met 40.000.

Artikel 16.- Voor de natuurlijke en rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, b die een gedeelte van een onroerend goed gebruiken, terwijl voor het betrokken goed enkel een globaal kadastraal inkomen gekend is, wordt de belastingcategorie bepaald, zoals geschreven in artikel 10.

Artikel 17. – Voor de natuurlijke personen die activiteiten uitoefenen zoals vermeld onder artikel 2, b worden de kadastrale inkomens van het onroerend goed waarin zij met een gezin hoofdverblijf houden gevoegd bij het kadastrale inkomen van het onroerend goed waarin de activiteiten door dezelfde natuurlijke persoon allen worden uitgeoefend en op hetzelfde perceel grond gevestigd zijn, en wordt een belasting geheven zoals voorgesteld bij artikel 14.

Artikel 18. – De rechtspersonen bedoeld in artikel 94, tweede en derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zijn evenwel niet aan de belasting onderworpen. (noot: dit artikel wordt geschrapt, omdat art. 94 enz. ..... niet meer bestaat)

Titel IV. _GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 19. – De telling en meting van de belastbare elementen worden uitgevoerd door de beambten van het gemeentebestuur.

Artikel 20. –De belasting wordt ingevorderd bij wijze van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.

Artikel 21. - De belasting moet betaald worden binnen 2 maanden na verzending van het aanslagbiljet. De ontvanger gaat na ontvangst van het kohier onverwijld over tot de verzending van het aanslagbiljet.

Artikel 22. – De belastingplichtige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente. Het bezwaarschrift moet gemotiveerd worden en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend.

Het bezwaar moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Van de afgifte van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

Artikel 23. – Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet van 24 december 1996, zijn de bepalingen van titel VII ( Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 7 tot 10 ( rechtsmiddelen, invordering van de belasting waaronder de nalatigheids en moratorium intresten; rechten en voorrechten van de schatkist; strafbepalingen) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek ( betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen.

Artikel 24.- Deze beslissing wordt aan de heer Provinciegouverneur overgemaakt.